Participatieve benadering
Een participatieve analyse … wat is dat?
De analyse wil komen tot een identificatie alsook een diagnostiek van de belangrijkste organisatorische factoren die ongewenst gedrag kunnen voortbrengen. De analyse wordt uitgevoerd door een groep personeelsleden en leidinggevenden die op de één of andere manier bekend zijn met de problematiek van ongewenst gedrag op het werk. Deze groep buigt zich over fiches die verschillende risicofactoren rond de problematiek van ongewenst gedrag en psychosociale belasting behandelen.
Enkele basisprincipes moeten deel uitmaken van de participatieve aanpak.
De aanpak is:
- Collectief en coöperatief binnen een groep van zes tot vijftien personen. Zes verschillende profielen worden aangeraden: een preventieadviseur psychosociale aspecten, een vertrouwenspersoon, een arbeidsdokter(es), een vakbondsafgevaardigde, een lid van HRM, een lid van de directie. In de mate van het mogelijke wordt er rekening gehouden met een evenwichtige man/vrouw verdeling binnen de groep.
- Gelegitimeerd door de instemming, aanwezigheid en betrokkenheid van de algemene directie.
- Gestuurd door een methodologie van preventieve actie. De bedoeling is om situaties die als risicovol worden ingeschat te neutraliseren.
Een aanpak in drie stappen
De participatieve aanpak met de IDI tool verloopt volgens drie opeenvolgende stappen:
- Consultatie
- Participatie
- Restitutie
Consultatie
Alvorens een groepsoverleg in te richten, is het nuttig om de betrokken personen te raadplegen. Met een korte vragenlijst van IDI kan een eerste peiling gebeuren naar de meningen over verschillende organisatorische risicofactoren.
Participatie
Het gaat hier om de participatieve benadering zoals hoger beschreven.
Restitutie
Na het participatieve luik wordt met behulp van de tool een samenvatting gemaakt van de geïdentificeerde risicofactoren en de voorgestelde oplossingen om deze te neutraliseren. De risicofactoren kunnen grafisch worden weergegeven.
IDI : doelstellingen en gebruiksaanwijzing
De doelstellingen en de gebruiksaanwijzing van IDI kunnen als volgt worden samengevat:
Identificatie
Elk lid van de werkgroep identificeert drie items die hij of zij als risicovol inschat per fiche. De coördinator inventariseert vervolgens alle aangeduide items. De groep moet daarna overleggen en gezamenlijk beslissen welke de belangrijkste factoren zijn per fiche. Waar geen consensus kan worden bereikt is het de taak van de coördinator om als moderator knopen door te hakken.
Voordelen van deze werkwijze:
- een gemakkelijk begin dankzij een concreet startpunt (thematische fiches).
- iedereen geeft zijn visie op de problematiek zonder dat meteen luidop te moeten doen.
- er wordt nota genomen van alle standpunten en ook de groepsdiscussie heeft hiermee een concreet startpunt.
Diagnostiek
Na de identificatie zijn er twee manieren om een diagnostiek uit te voeren. De principes zijn complementair maar men kan zich, indien gewenst, beperken tot één van de twee.
- Prioriteitsprincipe
De werkgroep spitst zich toe op de organisatorische factoren die het grootste risico vormen en komt zodoende tot twee groepen risicofactoren: “prioritair” enerzijds en “op te volgen” anderzijds. - Koppelingsprincipe
De moderator zoekt samen met de groep naar mogelijke verbanden tussen de geïdentificeerde risicofactoren of probeert deze te groeperen. Deze aanpak maakt het mogelijk om te zoeken naar meer globale oplossingen.
Interventie
De tool is een hulpmiddel bij het op touw zetten van een politiek van primaire preventie in verband met organisatorische risico’s voor psychosociale belasting op het werk. Elke geïdentificeerde risicofactor moet met een oplossing gepresenteerd worden. De resultaten worden aan de directie voorgelegd en gecommuniceerd aan het geheel van de organisatie.

